Zorg voor borstvoeding

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en UNICEF (het Kinderfonds van de Verenigde Naties) hebben het Baby Friendly Hospital Initiative (BFHI) gelanceerd. Zo wil men bevorderen dat baby's overal ter wereld vanaf de geboorte uitsluitend borstvoeding kunnen krijgen. In Nederland is in 1996 de stichting Zorg voor Borstvoeding opgericht, om de wereldwijde borstvoedingscampagne vorm te geven.

Tien vuistregels voor het welslagen van borstvoeding

De WHO en UNICEF ontwikkelden de volgende tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding. Alle instellingen voor moeder- en kindzorg dienen er zorg voor te dragen dat:

  1. zij een borstvoedingsbeleid op papier hebben, dat standaard bekend wordt gemaakt aan alle betrokken medewerkers.
  2. alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid.
  3. alle zwangere vrouwen worden voorgelicht over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven.
  4. moeders binnen een uur na de geboorte van hun kind worden geholpen met borstvoeding geven.
  5. aan vrouwen wordt uitgelegd hoe ze hun baby moeten aanleggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder moet worden gescheiden.
  6. pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie.
  7. moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer mogen blijven.
  8. borstvoeding op verzoek wordt nagestreefd.
  9. aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen wordt gegeven.
  10. zij contacten onderhouden met andere instellingen en disciplines over de begeleiding van borstvoeding en dat zij de ouders verwijzen naar borstvoedingsorganisaties.

Zeven stappen voor bevordering van de duur van de borstvoeding

De behoefte aan goede begeleiding bij borstvoeding eindigt natuurlijk niet met de kraamtijd. De jeugdgezondheidszorg kan er in belangrijke mate aan bijdragen dat meer vrouwen hun kind de borst geven, zo lang als zij dat prettig vinden. Om de aandacht voor borstvoeding te stimuleren zijn de volgende uitgangspunten ontwikkeld.

Alle instellingen voor Jeugdgezondheidszorg dienen ervoor zorg te dragen dat:

  1. zij een borstvoedingsbeleid op papier hebben dat standaard bekend wordt gemaakt aan alle medewerkers
  2. alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dat beleid
  3. alle zwangere vrouwen worden voorgelicht over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven
  4. vrouwen die borstvoeding geven daarin worden gestimuleer en ondersteund met aandacht voor de preventie en oplossing van problemen
  5. aan vrouwen wordt uitgelegd dat het kind tot de leeftijd van ongeveer zes maanden over het algemeen geen andere voeding nodig heeft dan moedermelk en dat de borstvoeding, gecombineerd met andere voedingsmiddelen, daarna kan doorgaan zolang moeder en kind dat wensen
  6. zij voorlichting geven over de mogelijkheden het geven van borstvoeding te combineren met werk of studie buitenshuis
  7. zij contacten onderhouden met andere instellingen en disciplines over de begeleiding van borstvoeding en dat zij de ouders verwijzen naar borstvoedingsorganisaties.

 

Informatie over het behalen van een borstvoedingcertificaat is te verkrijgen bij stichting Zorg voor Borstvoeding.