Help!

Janneke Bakker is moeder van Nina (2) en baby Luc. Ze beschrijft hoe moeilijk het soms kan zijn als je vriendin, zus of buurvrouw borstvoeding geeft. Hoewel...

Tegenwoordig ben ik niet de enige in mijn omgeving die borstvoeding geeft. Ik heb nu ook vriendinnen die borstvoeding geven. Een buurvrouw. Mijn schoonzus. Wat kennissen van yoga.
Dat is allemaal prima natuurlijk, alleen ben ik op de een of andere manier tot een soort borstvoedingsvraagbaak gepromoveerd. Tegen wil en dank mag ik wel zeggen. Want blijkbaar denkt mijn omgeving dat ik na twee jaar voeden een oplossing weet voor elk borstvoedingsprobleem. En niets is minder waar.

Een schoolvoorbeeld van de perfecte borstvoeding ben ik ook niet eens. Op LLL-bijeenkomsten hoop ik altijd maar dat er niemand kijkt als Luc mijn tepel naar binnen slobbert in plaats van een keurige hap te nemen. En Nina heeft vanaf dag één op mijn pink gesabbeld, want wist ik iets van zuigverwarring. Ik mag me gelukkig prijzen dat het allemaal zo vlekkeloos is verlopen. Blijkbaar ben ik dus een van die zeldzame mazzelaars die met slurpende kinderen geen tepelkolven krijgt en met pinksabbelen geen zuigverwarring.
Maar daar hebben mijn vriendin, buurvrouw en zus natuurlijk geen boodschap aan. Nee, die willen een advies. En wel van mij, de vermeende expert op het gebied van borstvoeding. Natuurlijk deel ik enthousiast het telefoonnummer van de landelijke LLL hulplijn uit en vertel ik van de informatiebijeenkomsten. Maar toch willen ze ook graag weten hoe ik het heb aangepakt. En dan sta ik er gekleurd op met mijn ik-doe-maar-wat methode.

Omgekeerd gebeurt het ook wel eens dat mensen me juist NIETS vragen, terwijl ik op mijn tong zit te bijten als buurvrouw, vriendin of zus haar keihard huilende baby niet voedt omdat ‘haar borsten leeg zijn’. Terwijl de baby uit ellende zijn handjes aan het opeten is, zou ik wel uit willen roepen: ‘Het is een fabriek, joh! Er is altijd melk. Doe me een lol en leg die baby aan!’
Ik zit zelf ook niet te wachten op ongevraagde adviezen over mijn pinksabbelende en tepelslurpende kinderen. Dus houd ik wijselijk mijn mond.

Laatst was er een kennisje met haar drie maanden oude baby op bezoek. Natuurlijk ging het gesprek over borstvoeding. Sinds ze om de vier uur voedde, kwam haar baby steeds ‘s nachts. Terwijl haar baby steeds onrustiger werd, zat ik te worstelen met de vraag of ik nu wel of niet iets moest vertellen over voeden op verzoek, regeldagen en nachtvoedingen. Ondertussen was haar baby gaan huilen, maar hij moest toch nog even wachten op zijn voeding want ‘ze hadden juist zo’n lekker ritme’. Ik besloot mijn mond te houden, want niets is zo irritant als een vriendin die meer denkt te weten over je kind dan jijzelf. Mijn dochter van twee probeerde de arme baby nog af te leiden met rammelaars en piepende Nijntjes. Maar zelfs zij kon zien dat er maar één remedie was om deze baby tevreden te stellen.
Ze stelde gedecideerd de diagnose:‘Beebie hommer, beebie dinken!’
De kennis maakte geen aanstalten om de baby te voeden, maar Nina hield voet bij stuk.‘NU!’ voegde ze er dus aan toe.
Kijk, dat is nou duidelijke taal.

 

Deze column is eerder verschenen in het tijdschrift BOVA.

Gepubliceerd: 4 april 2013 om 02:00 | Laatst bijgewerkt: 6 juli 2013 om 00:16