Moederschap

Lang geleden was er eens een vrouw die nog geen moeder was. Ze droeg mijn naam, ze had mijn gezicht, maar toch leek ze verder niets op mij. Ze deed dingen die mij vaag bekend voorkomen zoals uitslapen en boeken lezen. Ze maakte zich druk om zaken die nu volledig onbelangrijk lijken zoals de cijfers op een weegschaal en de rimpels in haar gezicht. Haar borsten dienden geen enkel ander doel dan leuk in haar truitje te pronken en deel te nemen in het liefdesspel.

‘Ik ben zwanger,’ zei ze op een dag tegen haar man,waarop zij samen naar de winkel gingen en thuiskwamen met een vrachtwagen vol spullen die de baby ooit misschien wel eens nodig kon hebben. Kamertjes werden geschilderd, kleertjes genaaid, bedjes gezaagd en hydrofielluiers gestreken. Er werden pretecho’s gemaakt, geboortekaartjes ontworpen, namen verzonnen en zwangerschapsboeken gelezen. De man en de vrouw gingen samen op zwangerschapsgym en leerden daar puffen, masseren en persen.

‘Ik ben op alles voorbereid,’ dacht de vrouw,‘laat die baby maar komen.’

‘Wat is de voorgenomen voeding die de baby gaat krijgen?’ vraagt de verloskundige aan een vrouw die mij al iets bekender voorkomt. Ze is inmiddels acht maanden zwanger. ‘Borstvoeding natuurlijk,’ zegt de vrouw,‘kan ik eigenlijk iets doen om me daar op voor te bereiden?’

‘Tepels harden,’ zegt de verloskundige gedecideerd,‘boenen met een harde handdoek.’

Dus scrubt en wrijft de vrouw zich een ongeluk, tot haar tepels zeer doen en ze er maar weer mee ophoudt.

‘Ik ben toch echt op alles voorbereid,’ denkt de vrouw nogmaals terwijl ze een blik op de speelgoedbeesten, wipstoeltjes en muziekmobiles werpt.

Er ligt een baby op de blote borst van een vrouw. Ze is net moeder geworden. Nu herken ik haar, die vrouw ben ik. Het kleine mensje op mijn huid is mijn dochter.Mijn Nina. Ze ligt bij me alsof ze nooit iets anders heeft gedaan. ‘Zullen we haar even aanleggen?’ vraagt de zuster terwijl ze geroutineerd mijn dochter aan de borst legt.

Ik kijk met verbazing naar het kleine meisje dat blijkbaar precies weet wat ze moet doen. Het is een onbeschrijfelijk gevoel haar te voelen drinken uit mijn lichaam. Ze lijkt zich niet te storen aan de felle ziekenhuislampen. Ze lijkt de zware bevalling met alle medische ingrepen alweer te zijn vergeten en weet zich geborgen in mijn armen. Ik voed mijn kind, ik ben moeder.

Die nacht moet mijn dochter huilen, onbedaarlijk huilen. Heeft ze honger, dorst, verdriet? Is ze misselijk van de slangen die de artsen in haar keel hebben gestoken, de meconium die ze heeft ingeslikt? Ik voel me de slechtste moeder op de hele wereld.Mijn kind huilt en ik kan haar niet troosten.De zusters zijn welwillend en vol adviezen. Ze geven haar venkelwater tegen vermeende krampjes. Ze willen haar wel op de babyslaapzaal leggen, zodat ik kan slapen. Ik wil niet dat ze haar bij me weghalen. Ik wil niet slapen. Ik wil dat mijn kind geen verdriet meer heeft. Ik vraag of ze haar weer bij me aan de borst willen leggen. ‘Ze heeft toch net gedronken?’ zegt de zuster. Ik blijf aandringen. Ze legt mijn dochter aan de borst en we blijven de hele nacht zo liggen. Ze is stil.

We zijn thuis. De kraamhulp is er nog niet.We zijn met zijn drieën, eindelijk. Ineens raak ik in paniek.Wat moet ik doen als ze honger krijgt? Tijdens al die dagen in het ziekenhuis heb ik haar niet één keer zelf aangelegd. Ik dacht nog wel dat ik me op alles had voorbereid. Maar wat moet ik eigenlijk met al die pluche beesten, babyfoons en roze jurkjes?

Tien minuten later ligt Nina tevreden te drinken. Ik heb haar zelf aangelegd. Ik ben trots. En ik voel me de geweldigste moeder van de hele wereld!

 

Deze column is eerder verschenen in het tijdschrift BOVA.

Gepubliceerd: 14 maart 2013 om 02:00 | Laatst bijgewerkt: 6 juli 2013 om 00:17