Moederliefde

Janneke Bakker is moeder van Nina, en zwanger van haar tweede kindje. Nina krijgt nog borstvoeding. Vanuit het perspectief van haar dochter maakt Janneke zich een voorstelling van hoe het tandemvoeden straks zal gaan.

Ik lig bij haar in bed.Mijn mond om haar tepel, mijn hand op haar borst. Ze aait zachtjes over mijn haar. Ik kijk naar haar op en ontmoet haar blik. Ze glimlacht. Konden deze momenten maar eeuwig duren. Kon zij maar voor altijd alleen van mij zijn. Alleen van mij houden. Alleen mij toestaan haar aan te raken. Haar lief te kozen. Zoals het vroeger was.

Maar nu is hij er. Ineens was hij er, vanuit het niets. Ik hoef niet jaloers te zijn, zegt ze. Want ze houdt van mij net zoveel als van hem. Er is genoeg ruimte in haar hart, haar ziel en haar lichaam om ons allebei lief te hebben. Hij heeft alleen meer behoefte om bij haar te zijn, van haar lichaam te proeven. Want het is allemaal nog nieuw voor hem en ik kan wel even wachten. Hoe heb ik dit de afgelopen twee jaar zo voor vanzelfsprekend kunnen houden? Hoe heb ik kunnen denken dat ze voor altijd van mij zou zijn? Dat ze alleen voor mij zou klaar staan? Dat haar lichaam alleen mij zou toebehoren?

Genoeg liefde in haar hart,wat een onzin. Twee jaar lang heeft ze me laten geloven dat ik de enige voor haar was en van de ene op de andere dag heeft ze zich laten inpalmen door die ander. Knap is hij ook niet, hij is gerimpeld, gevlekt en er komt geen zinnig woord uit. Hoe ik ook mijn best doe om nog meer indruk op haar te maken, ze blijft vol adoratie naar hem kijken.

Hoe kan ze hem toch boven mij prefereren? Ik help haar met het opvouwen van de was, ik breng haar thee, ik geef haar kusjes. Hij ligt daar maar een beetje de hele dag te liggen.Terwijl hij op zijn wenken bediend wordt. En ik kan wel wachten.

Ik hoor de baby huilen. Als zij het maar niet gehoord heeft, dan is het meteen gedaan met mijn exclusieve tijd met haar.

‘Kom, lieverd,’ zegt ze,‘laat maar los. We gaan even bij de baby kijken.’

Onwillig verbreek ik het vacuüm dat mijn lippen rond haar tepel hebben gezogen. Natuurlijk heeft ze hem gehoord. Hij hoeft maar een kik te geven of ze staat al naast zijn bed.

‘De baby heeft honger,’ zegt ze tegen mij, ‘zullen we hem even voeden?’

Laat dat ‘we’ er maar af. Zullen we hem op jouw plek leggen, bedoelt ze. Dan laten we hem jouw warmte innemen. Jouw melk opdrinken.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Haal jij eens een doekje,’ zegt ze, ‘dan leg ik hem alvast aan.’

Daar ligt hij dan, de kleine indringer. Op mijn plaats, naast mijn mama, in mijn bed. Hij heeft zijn lelijke verschrompelde lipjes al om haar tepel gelegd en drinkt met volle teugen.

‘Dank je,’ zegt ze afwezig als ik haar het spuugdoekje aanreik.

Ik blijf staan aan de rand van het bed, terwijl zij haar ogen liefdevol op de kleine larf heeft gericht.

Ze strekt een hand naar me uit. ‘Kom maar,’ zegt ze terwijl ze haar andere borst ontbloot. Aarzelend klim ik op bed.

‘Er is genoeg voor twee. Drink maar,’ moedigt ze aan. Ik vlij mijzelf weer aan haar borst. Mijn hand leg ik onwillekeurig op het armpje van mijn nieuwe broertje. Er is plaats voor twee.

 

Deze column is eerder verschenen in het tijdschrift BOVA.

Gepubliceerd: 7 maart 2013 om 02:00 | Laatst bijgewerkt: 6 juli 2013 om 00:17