| Pijnbestrijding |
|
In Nederland neemt de incidentie van pijnbestrijding tijdens de partus de laatste jaren toe. Pijnbestrijding bij de partus kan tot complicaties leiden bij het geven van borstvoeding. Zowel door aanstaande ouders als zorgverleners wordt weinig stilgestaan bij de mogelijke complicaties voor de borstvoeding. Medicinale pijnbestrijding bij de partus is een belangrijke factor bij het moeilijker op gang komen van de lactatie, maar ook bij het voortijdig stoppen met borstvoeden. Pijnbestrijding zorgt voor medicalisering van de partus en de vrouw wordt patiënt in plaats van moeder. De afhankelijkheid van pijnbestrijding kan het zelfbeeld van de moeder aantasten, waardoor zij minder vertrouwen heeft in haar vermogen om haar kind zelf te voeden. Gericht onderzoek naar de soort pijnbestrijding laat zien dat met name de lipofiele opiaten zoals fentanyl de waarschijnlijkheid van borstvoeding in de eerste week verkleint. Deze effecten zijn dosisafhankelijk. Uit onderzoek met videoregistratie bleek dat kinderen die geboren waren uit moeders met pijnbestrijding, minder instinctieve gedragingen vertoonden die gericht zijn op borstvoeding dan kinderen die geboren waren uit moeders zonder pijnbestrijding. Zij gingen later zelfstandig naar de borst, hadden vaker een verhoogde lichaamstemperatuur en huilden meer. Kinderen van moeders die tijdens de baring medicinale pijnbestrijding krijgen, hebben in het vroege postpartum meer assistentie nodig bij het aan de borst gaan. De kraamvrouwen hebben intensievere begeleiding nodig om voortijdig stoppen met borstvoeding te voorkomen. Veel huidcontact, ook na de eerste postpartum uren kan een goed hulpmiddel zijn bij het herstellen van de instinctieve gedragingen, de temperatuurbeheersing en het reduceren van het huilen.
Literatuur |




